We stonden voorin de schitterende Lebuinuskerk in Deventer en we kwamen voor het Allerzielenconcert van Het Nederlands Bach Consort.
‘U mag een steentje pakken voor een overledene,’ zei de vriendelijke man bij de ingang en wees op een bakje.
We pakten allebei een gladde, zwarte steen met gouden spikkeltjes. Mooi!
‘In het concert is er een moment voor herdenking,’ beloofde de man.
We liepen naar de voorste rij, want die was nog vrij. Tussen het orkest en ons stonden twee berkenstammetjes.
Op de ene stond een ronde mand. Leeg.
Op de andere een kandelaar met een kaars erin. Uit.
‘Ik houd hem toch liever in de hand geloof ik,’ mompelde
vriendin K. terwijl ze haar steen weer uit haar handtas haalde.
‘Voor wie is jouw steen?’ vroeg ze.
Ik wist het nog niet.
Het concert was adembenemend mooi.
En langzaamaan werd de steen in mijn hand voor mijn vader, die vier jaar geleden overleed.
‘Wat leuk dat nou juist zulke jonge mensen in dit orkest zitten,’ zou hij zeggen. En: ‘Wat een schitterende kerk he. Al die bogen, die versieringen en kijk, nog een authentiek fresco.’ En ook: ‘Dat Allerzielen, daar heb ik niet zo veel mee.’
In die stap veranderden we
Het laatste akkoord van het requiem stierf weg.
De sopraan stak de kaars op de berkenstam aan.
Een voor een liepen de zangers naar voren en legden hun persoonlijke gedenksteen in de mand op de andere berkenstam. De bas nodigde zijn dochtertje uit het publiek uit en ook zij legde een steen in de mand. Alleen de viool van de concertmeester klonk en bleef klinken.
Wij hoefden maar een stap te zetten van onze stoel naar de mand.
In die stap veranderde er iets kleins. De schoonheid van de muziek die we hadden gehoord, gaf glans aan de herinnering aan mijn vader. En de melodie van de viool droeg de aandacht waarmee ik mijn warme steen zachtjes neerlegde.
‘Doe maar een beetje aan de rand hoor, ik hoef niet zo nodig in het midden,’ zou mijn vader zeggen. Een voor een liepen alle luisteraars naar voren met hun overledene in gedachte.
Ze legden hun steen op hun plek in de mand, in de stilte van een enkele viool.
Sommigen bleven er een tijdje bij staan, alsof ze wilden zien of hun geliefde daar wel goed terecht was gekomen. Anderen lieten hun steen bijna gehaast achter en keken in het weglopen nog eventjes om. Een paar mensen legden twee of drie stenen neer. Veel mensen glimlachten, zelfs als er nog een traan op hun wang zat.
‘Niet kerkelijk herdenkingsritueel’
De concertmeester speelde door tot de laatste steen gelegd was – en speelde opnieuw toen er toch nog iemand opstond om haar steen toe te voegen aan de stille gedenkplaats.
In een halve cirkel om de mand heen werd een zegening gezongen over alle herinneringen die daar bijeen waren gebracht, alle dierbaren die gemist worden.
‘Ik vind dat toch mooi,’ zou mijn vader zeggen. ‘Heel eenvoudig, maar mooi. Ook omdat zo’n ritueeltje helemaal niet kerkelijk is, al zit je dan hier.’ Ja, zoiets zou hij zeker zeggen.
‘Zakdoekje?’ fluisterde vriendin K.